Mariëtte Huizinga, Ph.D.

Goed universitair onderwijs, zónder bureaucratisering

Deze reactie is geschreven door:

Dr. Mariëtte Huizinga, opleidingsdirecteur bachelor Pedagogische Wetenschappen, Vrije Universiteit Amsterdam*

Dr. Carolijn Ouwehand, vm. opleidingscoördinator bachelor Pedagogische Wetenschappen, Vrije Universiteit Amsterdam*

Dr. Ingmar Visser, opleidingsdirecteur bachelor Psychologie, Universiteit van Amsterdam*

* Op persoonlijke titel van de auteurs.


In de NRC onderwijsblog van 15 oktober jl. protesteert De Jonge Akademie (DJA) tegen de tijdrovende bureaucratie rondom onderwijs. In onze ogen was deze bijdrage een gemiste kans om te benadrukken dat onderwijsverbeteringen die de afgelopen decennia zijn ingezet hebben geleid tot grote sprongen voorwaarts. Dat alles wegzetten als nodeloze bureaucratisering is een karikatuur die het universitair onderwijs geen goed doet. Docentprofessionalisering en het meten van onderwijskwaliteit leveren een belangrijke bijdrage aan hoogwaardig universitair onderwijs, en is ook mogelijk zonder te verzanden in bureaucratisering.

Het belangrijkste punt dat DJA maakt is dat het huidige onderwijssysteem aan de universiteiten te bureaucratisch is, en dat de regeldruk overboord moet. Er moet meer vertrouwen komen in de professionaliteit en intrinsieke motivatie van docenten. Zeker, we delen de observatie dat er in de huidige situatie erg veel tijd aan administratie verloren gaat. Zoals de onderwijsinzet nu vaak is geregeld, komen docenten wel toe aan het voorbereiden en geven van hun onderwijs, waarbij we ook de toetsen en het nakijken ervan rekenen, maar aan meer eigenlijk ook niet. En dat valt ze niet aan te rekenen, want er is ook nog die andere verantwoordelijkheid: het doen van onderzoek en alles wat daarbij komt kijken.

Wat DJA in hun bijdrage volledig over het hoofd ziet, is hoezeer in de afgelopen decennia het universitaire onderwijs verbeterd is door de inzet op de professionalisering van docenten. Want hoe gemotiveerd onderzoekers ook zijn voor het geven van onderwijs: goed onderwijs geven is echt een vak apart en daar hebben wetenschappers niet voor gestudeerd. Onze kinderen krijgen les van docenten die daar minstens vier jaar lang voor hebben doorgeleerd. Als je wetenschappers zomaar loslaat in het onderwijs – voor de meesten toch zo’n 50% van hun universitaire aanstelling – gebeuren er regelmatig rampen voor studenten. Want laten we wel wezen, de tijd dat de alwetende onderzoeker een (hopelijk) prachtige presentatie over het studie-onderwerp geeft en de studenten in hun collegebanken braaf zitten te luisteren, is nu toch wel echt voorbij. Maar hoe doe je het dan? Hoe maak je die goede, kleinschalige tutorials en seminars, als je tot dusver vooral hebt geleerd om een goede onderzoeker te zijn?

Het was niet voor niets dat er jaren geleden al trajecten zoals de Basiskwalificatie Onderwijs (BKO) zijn ontwikkeld, en verplicht zijn gemaakt voor alle wetenschappelijk docenten. Hier leer je als universitair docent de benodigde didactische grondbeginselen die helpen om een cursus en een curriculum op een, voor de student, motiverende manier vorm te geven. Je krijgt, net zoals je dat hebt aangeleerd voor het opzetten en uitvoeren van goed wetenschappelijk onderzoek, een systematiek aangeboden die je stimuleert goed onderwijs te maken en te toetsen. Het verbaast ons te lezen dat DJA de inhoud daarvan grotendeels overbodig vindt en het als verplichte boekhouding beschouwt. Binnen de BKO is heel veel ruimte voor professionele ontwikkeling. Voorwaarde is dan natuurlijk wel dat je daar voor openstaat en bereid bent er voldoende tijd in te steken. De (toekomstige) universitaire leiders vinden het blijkbaar niet erg als een cursus een keer van mindere kwaliteit is. Terwijl dat nergens voor nodig is!

Bij professionalisering hoort ook dat je goed op de hoogte bent van toetsing. Je kunt nog zo goed college geven of een kleinschalige tutorial of werkgroep begeleiden, als de toets kraakt gaat het alsnog mis. Daarvoor zijn er toetsmatrijzen, die docenten helpen bij het maken van een toets die representatief is voor de cursus die hij/zij geeft. Het is een middel om de toetsing transparant te maken en de validiteit en betrouwbaarheid van de toetsen te waarborgen. De toetsmatrijs levert vaak gemopper op. Het kost ook veel tijd om die te maken, maar als je hem eenmaal hebt, kan je er jaar-in-jaar-uit op bouwen. En zo zijn er nog vele voorbeelden te geven van onderwijskundige maatregelen die de onderwijskwaliteit aan de universiteiten de afgelopen jaren sterk hebben verbeterd.

In onze ogen ligt het probleem dat DJA aanstipt op een ander niveau, namelijk dat van het bieden van de juiste randvoorwaarden om onderwijs op een goede manier uit te voeren en verder te ontwikkelen. De instrumenten die nodig zijn om de kwaliteit van onderwijs te waarborgen, worden heden ten dage (te) vaak ingezet als controle. Dat zie je vaker bij complexe organisaties, zoals de universiteit. Hier probeert de top – ook ingegeven door allerlei regelgeving vanuit de overheid – grip te houden op de organisatie, maar dat is natuurlijk heel moeilijk. Met behulp van allerlei monitormethoden doet het management een poging om grip op het geheel te krijgen. Dat straalt weinig vertrouwen uit. Niet voor niets stelde minister Jet Bussemaker ‘vertrouwen’ boven ‘controle’.

We delen dan ook de zorg van DJA rondom de regeldruk. De universiteit kan die grotendeels wegnemen (enige kwaliteitsbewaking zal altijd nodig blijven) door te investeren in het creëren van een onderwijscultuur waar een voedingsbodem is voor goed onderwijs. Waar goede wetenschappers én goede docenten duurzaam en in complementaire teams kunnen en mogen samenwerken. Laten we daarom vanaf nu werken aan een cultuur van vertrouwen, waarin we beter met elkaar communiceren, waarin we zoeken naar verbinding, waarin we elkaar aanmoedigen en respecteren om ieders eigen professionele krachten, en waarin we waardering laten blijken op het moment dat het aan de orde is en niet alleen in het jaargesprek. Het realiseren van zo’n cultuur kost tijd. Het vervullen van de randvoorwaarden is niet zomaar even geregeld. Het vraagt om ander gedrag, en niet iedereen voelt zich daar even prettig bij. Dat gaat stap voor stap. En het vraagt om een langetermijnperspectief en een goed plan van aanpak. Op die manier voorzien we in het vertrouwen in de professionaliteit en intrinsieke motivatie van docenten.

Docentprofessionalisering en het meten van onderwijskwaliteit zijn dus noodzakelijk voor het op hoog niveau kunnen geven van universitair onderwijs. Wij zijn ervan overtuigd dat dat kan zónder onnodige bureaucratisering, maar niet zonder dat we er tijd en energie in steken.

Amsterdam, 17 oktober 2018